Je ligt lekker op de bank en vraagt aan je huisgenoot: "Kun je die deken even aangeven?" Of zeg je eigenlijk dat deken? Dit soort taalvragen zijn soms verrassend lastig, ook voor native speakers. Het Nederlandse lidwoordsysteem is nou eenmaal niet altijd logisch. In deze blog zetten we het voor je op een rij, zodat je voortaan met zekerheid weet welk lidwoord je gebruikt bij het woord deken.
Het is dat deken.
Die of dat: hoe werkt het ook alweer?
In het Nederlands heb je twee soorten zelfstandige naamwoorden: de-woorden en het-woorden. Het lidwoord dat je gebruikt bij een aanwijzend voornaamwoord hangt daar direct van af:
- De-woorden krijgen die als aanwijzend voornaamwoord.
- Het-woorden krijgen dat als aanwijzend voornaamwoord.
De vraag is dus simpel: is deken een de-woord of een het-woord? Zodra je dat weet, weet je ook of je die of dat zegt.
Is deken een de-woord of een het-woord?
Deken is een de-woord. Je zegt dus: de deken. En dat betekent automatisch dat je ook die deken zegt, niet dat deken.
Twijfel je vaker over dit soort lidwoordkwesties? Dan is het handig om te weten dat er voor de-woorden en het-woorden helaas geen waterdichte regel bestaat. Uitzonderingen zijn er genoeg. Je kunt wel een paar vuistregels onthouden, maar bij twijfel is een woordenboek je beste vriend. Meer over het lidwoord bij deken lees je in dit artikel: De of het deken: juist lidwoord.
De juiste zin: voorbeelden
Om het helemaal duidelijk te maken, hier een paar voorbeelden van hoe je deken correct gebruikt:
- ✅ Die deken is zo zacht!
- ✅ Heb jij die deken al gewassen?
- ✅ Ik wil die deken op de bank leggen.
- ❌ Dat deken is zo zacht. (fout)
- ❌ Heb jij dat deken al gewassen? (fout)
Zie je het patroon? Gebruik je deken enkelvoud met een aanwijzend voornaamwoord, dan kies je altijd voor die.
Meervoud: hoe zit dat?
In het meervoud geldt voor alle zelfstandige naamwoorden — zowel de-woorden als het-woorden — dezelfde regel: je gebruikt altijd die.
- ✅ Die dekens zijn heerlijk warm.
- ✅ Hebben jullie die dekens al uitgekozen?
In het meervoud heb je dus nooit twijfel: het is altijd die, ongeacht het lidwoord van het woord in enkelvoud.
Andere woorden waar je snel twijfelt
Taalvragen over lidwoorden komen vaker voor dan je denkt. Bij sommige woorden twijfel je misschien net zo snel als bij deken. Een paar bekende voorbeelden:
- Lamp: Is het die of dat lamp? Lees het antwoord in dit artikel over de of het lamp: juiste lidwoord.
- Lijst: Zeg je die of dat lijst? Dat lees je in het artikel over de of het lijst: juiste lidwoord.
- Toilet: Is het die of dat toilet? Het antwoord vind je in het artikel over de of het toilet: juiste lidwoord.
Het patroon is altijd hetzelfde: bepaal eerst het lidwoord van het woord, en dan weet je ook of je die of dat gebruikt.
Handige trucjes om lidwoorden te onthouden
Er is geen perfecte methode, maar deze trucjes helpen je een heel eind:
1. Gebruik een woordenboek
Van Dale of het Groene Boekje vermeldt bij elk woord of het een de-woord of het-woord is. Bij twijfel: opzoeken is altijd slim.
2. Verkleinwoorden zijn altijd het-woorden
Een verkleinwoord eindigt op -je en is altijd een het-woord. Dus: het dekentje, en daardoor: dat dekentje. Dit geldt altijd, zonder uitzondering.
3. Let op categorieën
Sommige categorieën zijn bijna altijd de-woorden, zoals personen, dieren en beroepen. Maar woorden als deken vallen buiten die categorieën, dus hier helpt de truc minder.
4. Oefen met voorbeeldzinnen
Hoe vaker je een woord in de juiste context ziet of hoort, hoe sneller het beklijft. Schrijf zelf een paar zinnen op met het woord en het juiste lidwoord.
Conclusie
De vraag die of dat deken is snel beantwoord: je zegt altijd die deken. Deken is namelijk een de-woord, en de-woorden krijgen het aanwijzend voornaamwoord die. In het meervoud geldt trouwens voor elk woord dat je die gebruikt, dus ook: die dekens.
Twijfel je vaker over het juiste lidwoord bij woonwoorden en andere alledaagse begrippen? Op Furn.nl vind je meer van dit soort taalartikelen. Zo hoef je nooit meer te gokken!












